Ĝoju forte, ho filino de Cion, triumfu, ho filino de Jerusalem: jen via reĝo iras al vi; justa kaj helpema li estas, humila kaj rajdanta sur azeno, sur ido de azenino.
Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.