Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last opleide, zeggende:
Yehu yardımcısı Bidkar’a, “Onun cesedini al, Yizreelli Navot’un toprağına at” dedi, “Anımsa, senle ben birlikte Yoram’ın babası Ahav’ın ardından savaş arabasıyla giderken, RAB Ahav’a,